Een uitgebreid aanbod aan btw-opleidingen

Delen

Circulaire opeisbaarheid btw, gelijkstelling dienst, zeeschepen

De Administratie publiceerde een circulaire met een eerste commentaar betreffende de wet van 29.11.2017 tot wijziging van het WBTW inzake de opeisbaarheid van de btw, de met diensten onder bezwarende titel gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de btw-vrijstelling voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee (Circulaire 2018/C/20 van 12 februari 2018, www.fisconet.be).

 Opeisbaarheid btw

De artikelen 17, § 1, eerste lid, en 22bis, § 1, eerste lid, van het WBTW moeten worden toegepast in alle situaties waarin de btw-plichtige ertoe gehouden is een factuur uit te reiken voor de handelingen die hij verricht. Dit geldt dus ook in de situatie waarbij handelingen worden verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik en waarvoor de btw-plichtige gehouden is een factuur uit te reiken (art. 53, § 2, vijfde lid WBTW en art. 1 van het KB nr. 1). Omdat dit steeds de bedoeling is geweest, zoals dit overigens werd gepreciseerd in de memorie van toelichting van de wet van 06.12.2015, werd de verwijzing naar artikel 53, § 2 van het WBTW dan ook gecorrigeerd. Er zal evenwel niet sanctionerend worden opgetreden als de btw-plichtige vóór de publicatie van de circulaire deze regel niet zou gevolgd hebben, maar als tijdstip van opeisbaarheid van de btw het moment van de incassering van de prijs in aanmerking zou hebben genomen.

 Gelijkstelling dienst onder bezwarende titel

Het is gebleken dat het toepassingsgebied van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het WBTW (oud) te ruim was. De bepaling was van toepassing voor een btw-plichtige met een volledig recht op aftrek terwijl de btw-richtlijn slechts voorziet in een toepassing voor btw-plichtigen die geen volledig recht op aftrek hebben. De Administratie zal, ten aanzien van de btw-plichtige met volledig recht op aftrek, de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het WBTW (oud) niet meer eisen wat de periode betreft voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling (16.12.2017). Dat neemt niet weg dat ook onder de nieuwe regeling het betrokken gebouw nog steeds een bedrijfsmiddel blijft (art. 6, KB nr. 3). Derhalve zal de btw die volledig in aftrek werd gebracht over de uitgaven die werden verricht om het gebouw op te richten (in het bijzonder de aankoop van materialen) moeten worden beschouwd als btw geheven van bedrijfsmiddelen die onderworpen is aan herziening gedurende een termijn van 15 jaar. Bijgevolg zullen deze gegevens voor de opvolging van mogelijke herzieningen in de tabel van bedrijfsmiddelen moeten worden opgenomen.

Het essentiële verschil tussen de oude en de nieuwe regeling op het vlak van de herzieningsverplichting is dus de omvang van het btw-bedrag dat aan herziening onderworpen is bij gehele of gedeeltelijke bestemmingswijziging van het opgerichte gebouw voor doeleinden die geen recht op aftrek verlenen. Onder de oude regeling was het btw-bedrag dat aan herziening is onderworpen bij de oprichting van een gebouw, immers het volledig in aftrek gebrachte btw-bedrag dat verschuldigd werd over de met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgestelde handeling. Dat bedrag werd berekend over de normale waarde van die handeling. Onder de nieuwe regeling is het voor herziening vatbare btw-bedrag daarentegen beperkt tot het volledig in aftrek gebrachte btw-bedrag dat verschuldigd werd over de uitgaven die werden gedaan om het gebouw op te richten.

Een meer uitvoerige commentaar over deze problematiek wordt bij afzonderlijke circulaire gepubliceerd.

Schepen voor de vaart op volle zee

Voortaan wordt er, voor wat de toepassing van de btw-vrijstelling betreft, niet meer verwezen naar “zeeschepen” maar naar “schepen voor de vaart op volle zee”. Het concept “volle zee” heeft daarbij, overeenkomstig de richtsnoeren van het 103de Btw-comité, betrekking op elk gedeelte van de zee buiten de territoriale wateren van een land dat zich verder bevindt dan ten hoogste 12 zeemijlen te rekenen vanaf basislijnen die bepaald zijn in overeenstemming met het internationaal recht van de zee (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, ondertekend in Montego Bay op 10.12.1982). Een meer uitvoerige commentaar over deze problematiek wordt bij afzonderlijke circulaire gepubliceerd (na overleg met de diverse stakeholders). Zolang deze publicatie niet is gebeurd, aanvaardt de Administratie dat de bepalingen van het oude artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a), van het WBTW onverkort van toepassing blijven.

Bovendien omvatte de oude tekst momenteel enkel een algemene verwijzing naar de visserij zonder specifieke bijkomende verwijzing naar de schepen voor kustvisserij zoals in de btw-richtlijn. Door de invoering van het begrip “schepen voor de vaart op volle zee” in de nieuwe tekst zou de btw-vrijstelling niet meer van toepassing zijn op de leveringen van schepen voor de kustvisserij, maar enkel op de leveringen van schepen voor visserij op volle zee. Om de conformiteit van de tekst met de btw-richtlijn ook op dit punt te verzekeren, worden de schepen voor de kustvisserij – net zoals in de btw-richtlijn – afzonderlijk vermeld, in casu door een toevoeging onder artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b), van het WBTW.