Een uitgebreid aanbod aan btw-opleidingen

Delen

FAQ btw-plicht publiekrechtelijke lichamen

De Administratie publiceerde een circulaire die de FAQ bevat inzake de btw-plicht van publiekrechtelijke lichamen (Circulaire 2017/C/91 van 22 december 2017).

De circulaire vervangt de eerdere beslissing van 12 februari 2016, nr. E.T. 128.015 en heeft tot doel de bepalingen van Circulaire AAFisc nr. 42/2015 van 10 december 2015 te verduidelijken aan de hand van enkele toepassingsgevallen waarmee publiekrechtelijke lichamen vaak worden geconfronteerd.

Gelet op de context waarin openbare lichamen in België handelen evenals op de wijze waarop zij hun werkzaamheden uitoefenen zal de Administratie als uitgangspunt nemen dat publiekrechtelijke lichamen in België, in principe, steeds handelen als overheid in de zin van artikel 6, eerste lid, van het WBTW, en dus niet de hoedanigheid hebben van btw-plichtige, onverminderd uiteraard de mogelijke toepassing van artikel 6, tweede of derde lid, van het WBTW (zie punt 11 van Circulaire AAFisc nr. 42/2015).

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van het WBTW wordt de hoedanigheid van btw-plichtige evenwel aan publiekrechtelijke lichamen toegekend voor die werkzaamheden of handelingen waarvoor een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden. De vraag of een bepaalde werkzaamheid die wordt verricht door een publiekrechtelijk lichaam aanleiding geeft tot ‘concurrentieverstoring van enige betekenis’ is een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd dient te worden onderzocht. De Administratie neemt aan dat er ten aanzien van een bepaalde werkzaamheid geen concurrentieverstoring van enige betekenis is indien de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 EUR niet overschrijdt. Deze drempel dient dus per door dat publiekrechtelijk lichaam verrichte werkzaamheid te worden beoordeeld zodat slechts de op die werkzaamheid betrekking hebbende omzet in acht wordt genomen (en niet per verrichting). Het openbaar lichaam dat in de loop van het kalenderjaar met betrekking tot een bepaalde werkzaamheid de drempel van 25.000 EUR overschrijdt dient onverwijld contact op te nemen met de bevoegde beheersdienst inzake btw dat op basis van de feitelijke elementen en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis in de zin van artikel 6, tweede lid, van het WBTW. Bij twijfel wordt advies ingewonnen bij de centrale diensten (zie punt 17 van Circulaire AAFisc nr. 42/2015).

Ten aanzien van de handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44 van het WBTW gaat de Administratie ervan uit dat die handelingen in principe leiden tot een potentiële concurrentieverstoring waarvoor het publiekrechtelijk lichaam als een (vrijgestelde) btw-plichtige wordt aangemerkt wanneer betreffende concurrentieverstoring van enige betekenis is. Daarenboven kan het publiekrechtelijk lichaam door het indienen van een gemotiveerd verzoekschrift bij de Administratie het vermoeden van btw-plicht weerleggen door de afwezigheid van concurrentieverstoring aannemelijk te maken (zie punt 26 van Circulaire AAFisc nr. 42/2015).

Betreffende de handelingen opgenomen in de limitatieve lijst van artikel 6, derde lid, van het WBTW verkrijgen publiekrechtelijke lichamen in elk geval de hoedanigheid van btw-plichtige voor zover deze handelingen niet van onbeduidende omvang zijn – zonder dat dient te worden nagegaan of er sprake is van een potentiële concurrentieverstoring. De Administratie aanvaardt dat een bepaalde werkzaamheid van onbeduidende omvang is indien de jaarlijkse omzet van die werkzaamheid het bedrag van 25.000 EUR niet overschrijdt (zie punt 20 van Circulaire AAFisc nr. 42/2015).

In de FAQ komen 24 toepassingsgevallen aan bod.